Mis-take

In deze moeilijke tijden moeten we elkaar een beetje overeind houden en hoe kan dat beter dan met humor. En als je humor zegt, dan zeg je Trump, want eigenlijk betekent dat Troef, de beste kaart van je hand, hij is overal de beste in! Het is niet van mij, maar geleend, maar in deze barre tijden delen we natuurlijk alles!

Gaan we dan!

Een, twee, drie, vier!

Een vliegtuig met vijf passagiers: Donald Trump, Boris Johnson, Angela Merkel, De Paus en Gretha Thunberg. Het vliegtuig (Boeing 737 Max) staat op het punt neer te storten en er zijn maar vier parachutes. Trump zegt: ‘Ik moet er een hebben, ik ben de slimste man van Amerika en ik moet ook nog de problemen van de wereld oplossen.’ Hij pakt een parachute en springt. Boris zegt: ‘Ik ben de enige die Great Britain kan redden!’ Hij pakt een para en springt. De Paus zegt: ‘Ik moet er ook een hebben, want de hele wereld heeft de Katholieke Kerk nodig, al was het maar om de bevolking op peil te houden.’ Hij pakt de derde chute en springt. Angela zegt tegen Gretha: ‘Pak jij de laatste paraplu maar kind. Ik heb mijn leven geleefd, dat van jou is nog maar net begonnen!’ Gretha zegt: ‘Niet nodig Angela, kijk er zijn er nog twee! De slimste man van Amerika heeft mijn rugzak gepakt!’

 

© thrammy 20

Slagvaardige zorg

Naar de podoloog voor een controle afspraak die al een jaar staat. Ik tref een nieuwe loog aan, een jonge vent die samen met een nog jongere vrouw de praktijk van de heer Theedoek waarneemt. Theedoek himself geniet van een welverdiende vakantie hoor ik, een vakantie, die nog wel even doorgaat begrijp ik later. Want op de vervolgafspraak, die aan het eind van de sessie wordt gemaakt (maandag 30 maart, 11.30) zal hij ook nog niet terug zijn. Misschien maakt hij een cruise, schijnt een hype te zijn tegenwoordig.?

De nieuwe luistert naar mijn verhaal over de recente val en de vervelende gevolgen en hij heeft een bijzondere therapie in gedachten. Hij onderzoekt mij als een echte dokter, sterker, als een orthopedisch specialist en hij vermoedt dat scheenbeen en dijbeen iets of wat kunnen zijn verschoven door de val. Vandaar dat het herstel misschien zo lang duurt, een gewaagde theorie, maar het is er een. En gezien het feit dat de acties van huisarts, fysiotherapeut en het onderzoek in het ziekenhuis tot nu toe nog tot geen enkel resultaat hebben geleid, zijn vanaf heden ook gewaagde theorieën welkom.

Vlak onder de R-knie duwt hij op het bobbeltje van het uiteinde van het scheenbeen: of dat gevoelig is. Ja, inderdaad. Of ik het goed vind dat hij daar een klap op geeft met een hamer. Hoor ik het goed: hij gaat met een hamer op het uiteinde van mijn scheenbeen slaan. Ja, ik hoor het goed. Met een heuse hamer, met als slagoverbrengend tussenstuk een ijzeren staaf van ca 15 cm. Het zal een beetje pijn doen, er kan een blauwe plek ontstaan, maar dit zou in dit geval kunnen helpen.

Ben ik hier bij een onvervalste kwakzalver terecht gekomen? Heeft die Theedoek zich laten vervangen door een Braadworst of door een Hansworst? Hij doet heel serieus en heeft dat vaker gedaan, vertelt hij. Hij voegt eraan toe dat hij straks misschien ook nog even een paar klappen op mijn enkel zal moeten geven. Onbelangrijk detail. Maar stel je voor dat het helpt!

‘Doe maar’, zeg ik dapper. Hij haalt zijn bijzonder gereedschap tevoorschijn, laat mij plaatsnemen op een echte behandelstoel en hij maakt aanstalten voor de actie. Hij plaatst de staaf op de bewuste plek c.q. bobbel en geeft een flinke mep op het uiteinde. Het doet pijn, maar bij de tandarts voel je meestal meer. Dan moet er nog een klap en ook die is te verdragen. Dan is de rechter enkel aan de beurt, die krijgt ook twee klappen met de hamer en die doen echt pijn. Enfin, als het ergens toe dient, ben ik dit gauw vergeten. Ik zal de heer Theedoek, wanneer terug in het land, wel vragen of dit allemaal officieel in het handboek Podologie vermeld staat. Je weet het niet, misschien heeft deze jongen vorige week een cursus gevolgd op de Veluwe. Of misschien is hij lid van een Thaise sekte. Of doet hij onderzoek voor een programma als RamBam en wil hij (of het programma) weten, hoever je kunt gaan onder het mom van medische deskundigheid.

Ik krijg ook nog een kleine correctie op mijn steunzooltje en mag over een week of vier komen vertellen of het allemaal geholpen heeft. Ik heb er nog niets van gemerkt.

© thrammy 20

CIARA

Een mooie dag om in een hoekje te kruipen met een boek. Lezen! Met een gierende Ciara om de hoek van het huis, met kletterende regen tegen het dubbel glas. Tja Ciara, pas op voor meisjes met te mooie namen, ze zijn meedogenloos, waarschuwde mijn moeder nog.

Lezen dus. Bijvoorbeeld het fantastische boek van Kees van Beijnum: Dichter op de Zeedijk[1]. Het geweldige verhaal van de opgroeiende jongen Constant in de rauwe, rosse buurt van de hoofdstad. Hij woont bij zijn grootmoeder die het café De Rode Laars drijft en dat doet ze op haar manier. Lees van de plaatselijke sterren als Ben-van-het-Deurtje, Klaas-Kop-en-Schotel, Dikke Vera en nog een tiental illustere figuren uit de buurt en de talloze andere personages die uit alle delen van de wereld komen aanwaaien.

Onmiskenbare hoofdpersoon grootmoeder, zijn vader is onbekend, moeder is elders en in de loop van het verhaal komt ze te overlijden, bestiert het café met vaste hand en dat rendeert. Ook de jonge Constant is onmisbaar onderdeel van het personeel. De barjuffrouw wordt regelmatig vervangen en de sollicitatie is een belevenis op zich. Grootmoeder heeft zo haar speciale eisen aan de sollicitant. Die eisen hebben weinig te maken met het c.v., maar vooral met lichamelijke kwaliteiten, in feite de maten en gewichten. De barjuf moet een inspiratiebron worden voor de klanten, niet meer en niet minder.

Dus de eerste vraag is: ‘Zal ik even uw jas aannemen, juffrouw?’, want met de jas aan blijft het een beetje gissen nietwaar. Als blijkt dat alles in voldoende mate op zijn plaats zit, kan de proeftijd ingaan. Meestal haalt de nieuwe de proeftijd niet, door diverse oorzaken en omstandigheden. Constant is gelukkig met zijn leventje. Hij leert van het leven zelf, dat zich op straat en in het café in al zijn rauwheid, hardheid en eerlijkheid aan hem openbaart. In zijn dromen ontmoet hij de oude Dichter die hij bijpraat over de voorbije vier eeuwen. De Dichter wil alles van hem weten, maar heeft maar weinig waardering voor de ontwikkeling van de mensheid. Ook laat hij de Dichter zijn eerste versregels horen. De Dichter is kritisch, mist rijm en metrum, maar Constant zegt dat die nu niet meer hoeven.

Grootmoeder heeft een passie, de paardenrennen. Ze wedt en gokt, ze wint en verliest. Soms mag Constant mee. Op een avond belt ze hem vanuit Den Haag op dat ze veertienduizend gulden heeft gewonnen en dat hij, haar jongen, eindelijk dat bootje krijgt. Hij is dolgelukkig. En dat ze straks nog een feestje vieren in het café als ze thuis is. De stamgasten horen het nieuws, versieren de zaak, halen alles in huis en beginnen alvast. Als Oma later op de avond thuiskomt en een complete chaos aantreft, blijkt ze intussen alles weer helemaal vergokt te hebben. Ze gooit iedereen de deur uit.

Grote vriend, Ben-van-het-Deurtje wordt ziek, hij komt zijn bed niet meer uit. ‘Geen alcohol meer’, zegt de dokter. Maar Constant moet toch elke vrijdag, als hij de cheque gaat innen voor Ben, een kruik jenever meebrengen. ‘Wat weet zo’n snotneus van mijn lichaam’, moppert Ben over de dokter. “Die vent heeft me hooguit een half uur gezien, maar ik trek al ruim vier en zeventig jaar dag en nacht met dit lijf op!’ Ben blijkt hetzelfde te mankeren als de caféhond Stella: iets met de lever. Bij Stella was de oorzaak wel duidelijk, hij kreeg elke avond de restanten uit de glazen in zijn drinkbak gegoten en vond het heerlijk.

Lezen dus, dit prachtige verhaal of gewoon een ander boek.

© thrammy 20

[1] A’dam, Nijgh & van Ditmar, 1995.

Zin van het leven (3)

Dus de dood betekent voor jou het absolute einde?

Ja. Ik ben na de oorlog opgegroeid tussen de dieren. Heb op de boerderij geboorte en dood bijna dagelijks van heel dichtbij meegemaakt. De ontroerende geboorte van een kalf, van een veulen, van duizend gele donzige kuikens op een dag. De kale, blinde konijntjes in hun harige holletje. Prachtig! Maar ook de trieste dood van een paard, dat zijn gehele leven op de boerderij had gewerkt, gediend, geleefd. Met name dat werkpaard had een centrale plek op de boerderij. Alles draaide om zijn superkracht, zonder het trouwe, onvermoeibare beest, ging niets door. Maar op een dag ging Bruin dus ook gewoon dood.

Ik zag een natuurlijk proces. Komen en gaan. Lente en herfst. Begin en einde. Een zich steeds oneindig herhalende cyclus. Boeren leven heel dichtbij de natuur, dichtbij leven en dood. Er heerst bij hen een groot begrip en een grote acceptatie van geboren worden, leven en sterven. In de moderne samenleving is een steeds grotere afstand ontstaan tot de dood. De dood wordt weggestopt, ontkend, verbannen, ‘weg gefluisterd’. Maar de dood wordt ook al eeuwenlang stevig bevochten. Moderne medische wetenschap pretendeert de dood zelfs bijna overwonnen te hebben.

Inderdaad, we worden, mede daardoor, steeds ouder en veel ziekten zijn bijna geheel uitgebannen, overwonnen. Polio, pokken, pest. Maar met de kanker zijn we echt nog wel even bezig. Helaas, ondanks onze fantastische medische wetenschap gaat uiteindelijk iedereen toch dood en ‘de kop in het zand’ heeft weinig zin. Zelfs de knapste artsen gaan tenslotte zelf ook dood.

En hoe zie je jouw eigen einde?

Het komt snel dichterbij, dat is mijn eigen realiteit. Het vooruitzicht van de dood maakt mij oprecht bang. Verdwijnen in het grote niets, alles achterlaten, geen morgen, geen volgende week, geen dromen, geen plannen. Er opeens niet meer zijn, het is nauwelijks in te denken. Lichamelijk vind ik het nog enigszins acceptabel, maar dat mijn diepste wezen, mijn persoon, in het grote niets verdwijnt, het is bizar, vreemd, angstaanjagend.

Maar het is gewoon zo, het is de natuur, het is de harde realiteit. Er is ook weinig wat troost biedt in het licht van dit gegeven. Misschien moet ik de troost zoeken in de zinvolle herinneringen die mij dierbaar zijn. Een bijzonder liefdevolle moeder, de fantastische geboorte van onze kinderen, het voorlezen van een van mijn gedichten op de radio, het toch weer terugvinden van je eigen kind van vijf op een overvol strand. Of in het spelen met het zoontje van dat kind…! Nu na vijf en dertig jaar.

‘Opa, zullen we…?’

Grote en Kleine Beer komen terug van de rivier en hebben lekker in het water gespetterd. Ook hebben ze nog twee vissen gevangen. Maar terug bij hun hol is de grote steen weg en alle honing van gisteren is gestolen. Ze zien de enorme voetstappen van de Reuzebeer. Hij is het geweest. Maar Kleine Beer heeft een slim plan, een list om de honing terug te stelen. Hij volgt de ‘voetensporen’ en het lukt. Helaas, nu zijn ze niet meer veilig in hun oude hol, de Reuzebeer weet waar ze wonen, hij zal terugkomen. Met behulp van de familie Bever bouwen ze een vlot en vluchten de rivier over. Daar kan de Reuzebeer niet komen. Aan de andere kant beginnen Grote en Kleine Beer een geheel nieuw leven.

Zij wel.

© thrammy 2020

Zin van het leven (2)

Wat is de zin van dit leven?

Vraag het aan duizend mensen en je krijgt duizend antwoorden. De gelovigen geven de antwoorden die hen door hun priester, dominee of imam tot in den treure zijn ‘ingefluisterd’. De niet-gelovigen zullen allemaal hun eigen individuele zingeving omschrijven. En bovendien verandert hun (en mijn) antwoord ook nog eens in de diverse fasen van het leven.

Voor mij, als niet-gelovige bestaat de zin van het leven uit: jezelf in alle opzichten ontwikkelen, de persoon worden die je wilt zijn en in vrede leven met je naasten en je omgeving. Genieten van kunst en van het zelf maken van mooie dingen. Werken met je brein en met je handen. Creatief bezig zijn in alle opzichten. Doen wat je moet doen en laten wat je moet laten. Geen leugens verspreiden. Er zijn voor de mensen die op je rekenen.

Dus je gelooft niet?

Nee, niet in een almachtige God, Allah of wie dan ook. Er is niemand die aan de touwtjes trekt. Er is geen opperwezen. Als het wel zo is, moet het wel een verschrikkelijk iemand zijn. Iemand die in al zijn almacht toestaat, dat mensen elkaar de meest vreselijke dingen aandoen.

Het is intussen wel overtuigend genoeg bewezen, hoe de kosmos en deze planeet ontstaan zijn, hoe het veelvormige leven in miljoenen jaren is ontstaan en zich in al zijn pracht en diversiteit heeft ontwikkeld. De bewijzen van die ontstaansgeschiedenis en evolutie zijn uit ten treuren bevestigd en bewezen. Zo is het gegaan en zo gaat het steeds verder. Tenzij wij mensen dat mooie proces frustreren, bederven, kapotmaken. En dat zou zomaar kunnen.

Mensen gingen zich bij hun toenemende ontwikkeling vragen stellen over onbegrijpelijke dagelijkse verschijnselen en konden daar geen afdoende antwoorden op vinden. Het geloof in een almachtig Opperwezen, die dit allemaal had bedacht, gemaakt en in de hand had, was een welkom antwoord. Het geloof werd een handige vluchtplek, het gaf rust in de tent. Het moest alleen nog een beetje georganiseerd worden: gepaste rituelen, een plaats van handeling, personen die de rituelen mochten uitvoeren. Het geloof moest worden aangekleed met verhalen en er moesten leiders komen. Goeroes, hogepriesters, medicijnmannen. Die leiders namen de mensen bij de hand, bedachten prachtig mooie verhalen om ze gerust te stellen en om hun geloof een historische grondslag te geven.

Maar de mensen kwamen met diepere vragen naar hun leiders: waartoe zijn we op aarde, wat is de zin van dit (prachtige, mooie, vreselijke en soms ellendige) bestaan? De voormannen gaven de gewenste antwoorden. Ze gingen beweren dat het leven op aarde een soort van vervelende tussenfase is. Het echte geluk ligt in een (eeuwig) leven na de dood. Met deze hoopvolle boodschap voor ogen, konden de hogepriesters de mensen blootstellen aan de meest bizarre dagelijkse ellende: even doorbijten, nog even volhouden, dit is de aardse ellende, straks wordt het beter. Paradijs, hemel, jachtvelden en een eeuwig leven komen eraan! Straks!

© thrammy 2020

(morgen nog meer zin)

ZIN VAN HET LEVEN (1)

Toen mijn oudste kleinzoon ergens tussen de twee en drie jaar was, kroop hij, speels als hij was, vaker op mijn rug. We gingen samen op avontuur en hij wist waarheen, hij wees de weg. Al gauw was hij Kleine Beer en ik uiteraard Grote Beer. We woonden in een hol in het bos, dicht bij de rivier en elke morgen gingen we na een vast ochtendritueel op zoek naar honing. Kleine Beer kon de honing al van ver ruiken. Onderweg gebeurde er van alles wat Kleine Beer spontaan bij elkaar fantaseerde. We kwamen de gemene Reuzebeer tegen, de Grijze (gevaarlijke) en de Gele (vriendelijke) Wolf en beleefden elke keer weer nieuwe avonturen. Wanneer de Grijze Wolf op ons pad verscheen, had Kleine Beer hem al meteen gezien, hij waarschuwde Grote Beer die dan meteen een afschuwelijke brul liet horen. Als we goede raad nodig hadden, zochten we het Tovervrouwtje op, dat altijd in de Zweedse keuken bezig was met toverdranken en lekkere heksensoep.

In de jaren daarna speelden we het verhaal van Grote en Kleine Beer opnieuw en opnieuw, misschien wel meer dan honderd keer. Het was een spel dat zich steeds volgens een vast patroon ontrolde: ‘Opa, zullen we Kleine Beer en Grote Beer spelen?’

Schoenen en kousen moesten uit en er moest eerst een hol worden gebouwd. Kussens en dekens werden naar een hoek van de kamer gesleept. Stoelen gingen op een zij, dekens werden erover gelegd. Tot slot gingen we in het hol wonen, een feest op zich. Het werd nacht en Kleine Beer viel in slaap tegen de buik van Grote Beer. Maar de nacht duurde nog minder dan twintig seconden. Dan gilde Kleine Beer: ’Kukeleku, Grote Beer opstaan, de zon is er al!’ Grote Beer bromde wat en wilde verder slapen, Kleine Beer sjorde aan het grote lijf: ‘Grote Beer, was je nog aan het dromen?’ Ze moesten naar de rivier om zich te wassen.

Het verhaal ontwikkelde zich steeds verder en het kind genoot elke keer weer enorm van het fantasiespel. Op zulke momenten waren we allebei zielsgelukkig. Hij iets meer dan ik; mijn knieën vonden het kruipen over de harde tegelvloer een toenemend probleem. Ik wist hem ervan te overtuigen, dat beren ook wel eens, net als mensen, op hun achterpoten lopen, het werd mijn redding.

Later, hij was inmiddels een jaar of vijf, dacht ik er goed aan te doen, het verhaal samen met hem op te schrijven, maar tot mijn verbazing vond hij daar maar weinig aan. Het steeds weer opnieuw spelen van hetzelfde verhaal vond hij geweldig, maar het verhaal als boek interesseerde hem totaal niet.

Ik moest hieraan denken, toen ik op zoek was naar de zin van het leven.

In het laatste jaar van de oorlog begon mijn leven op een kleine boerderij. Daar had ik een sobere, maar heel gelukkige jeugd tussen hardwerkende volwassenen en heel veel kinderen. Ons huis zat vol met aandacht eisende beesten, we hadden elkaar nodig, sterker, we waren tot elkaar veroordeeld. De kleine boerderij lag midden in een fantastische natuur, de eerste buren woonden op honderden meters van ons vandaan. Ik voelde mij een nietig, maar wezenlijk onderdeel van een groter geheel. Ik mocht er zijn, voelde mij geborgen, er werd voor mij gezorgd.

Later ben ik groter gegroeid en uitgevlogen, het simpele dorp verlaten, onderwijzer geworden. Leraar heet dat tegenwoordig, maar met de opwaardering van de naam, trad ook het grote verval in. Na mijn pensionering kon ik eindelijk naar believen ruimte geven aan de al heel lang aanwezige drang om te dichten en te schrijven. Nu is het een flink deel van mijn dagbesteding, mijn fijne dwangneurose, mijn sterkste motief om elke dag op te staan.

© thrammy 2020

(morgen nog meer zin)

Zin van het leven (vooraf)

Een journalist van de Volkskrant (Fokke Obbema, 55 jaar oud, getrouwd, twee dochters) krijgt op een nacht een hartstilstand en wordt door zijn alerte vrouw in samenwerking met de snelle hulpdiensten op het nippertje gered.

Na een coma van twee dagen, blijkt hij niets ernstigs over te houden aan die vreselijke nacht. Er worden in het ziekenhuis nog een paar stents bij zijn hart geplaatst en hij kan daarna weer gewoon naar huis. Hij kan verder met zijn leven. Toch is hij in shock over het gebeurde, met name over de kwetsbaarheid van het leven. Je kunt zomaar doodgaan in je bed, je kunt gaan slapen en niet meer wakker worden. Dat gegeven laat hem niet meer los en hij gaat op zoek naar de zin van het leven.

Hij gaat gesprekken voeren met heel veel mensen van wie hij denkt dat die het wel zullen weten. Een spirituele goeroe, een psychiater, een schrijver, een professor en nog tig andere mensen. Wat is de zin van dit bestaan, dat in enkele tellen zomaar voorbij kan zijn? Wat is het doel van dit bestaan?

De vraaggesprekken publiceert hij elke maandag in zijn eigen Volkskrant. Elke week is er weer een grote foto van de geïnterviewde, altijd met de ogen dicht en daarbij twee pagina’s tekst. Het wordt een bijzondere en erg succesvolle serie, die de hele (hete) zomer van het jaar 2019 duurt. Hij komt volop in het nieuws en brengt het tot bij Mathijs van Nieuwkerk in DWDD.

Aan het eind van het jaar vraagt hij het aan zijn lezers: wat vinden jullie ervan, schrijf het op, laat het mij weten.

Ik stuurde hem vorige week mijn antwoord. Vanaf morgen hier te lezen in drie afleveringen.

© thrammy 20